De culturele sector heeft een imagoprobleem dat het zelden hardop benoemt: naar buiten toe progressief en grenzeloos creatief, van binnen soms verrassend onveilig. De afgelopen jaren stapelden de onthullingen zich op, van tv-studio's tot conservatoria, van theatergezelschappen tot de muziekindustrie. Wie in de sector heeft gewerkt, herkent de mechanismen die dit mogelijk maken.
Waarom juist hier?
Structurele afhankelijkheid. De sector draait op tijdelijke contracten, freelance-opdrachten en informele netwerken. Wie aan de bel trekt, riskeert niet één baan maar een hele carrière, de wereld is klein en reputaties reizen snel. Onderzoek laat bovendien zien dat werkplekken met veel tijdelijke contracten sowieso lager scoren op ervaren inclusie: er is simpelweg te weinig tijd om vertrouwen op te bouwen.
De sterrencultuur. Rond artistiek leiders, dirigenten en headliners hangt een uitzonderingslogica: talent als excuus voor gedrag dat elders allang consequenties zou hebben. "Zo is hij nou eenmaal" is in de culturele sector een volzin.
Passie als betaalmiddel. Wie "voor de kunst" werkt, wordt geacht dankbaar te zijn. Die dankbaarheidseconomie drukt lonen én maakt het moeilijker om grenzen te stellen, klagen voelt als ondankbaarheid tegenover het privilege erbij te mogen horen.
Wat werkt er wél?
Onafhankelijke meldstructuren. Een vertrouwenspersoon die op de loonlijst van de directie staat, is voor freelancers geen optie. Sectorale, externe meldpunten en aandacht voor de positie van zzp'ers zijn essentieel.
Contractuele bescherming. Gedragscodes die ook gelden voor gasten, opdrachtgevers en publiek, en die in contracten en rider-afspraken worden vastgelegd, niet alleen op de website staan.
Leiderschap dat de uitzonderingslogica doorbreekt. De belangrijkste vraag voor elk cultureel bestuur: is er iemand in deze organisatie voor wie onze gedragsnormen feitelijk niet gelden? Als het antwoord ja is, en iedereen weet meestal precies wie, dan is al het overige beleid decor.
De culturele sector heeft alles in huis om voorop te lopen: reflectievermogen, verbeeldingskracht en een publiek dat meekijkt. Wat nodig is, is de bereidheid om de eigen mythes, de geniale despoot, het lijden voor de kunst, net zo kritisch te bevragen als de maatschappij die ze op het toneel zet.
Bronnen
Aan de slag met dit thema in jouw organisatie?
Neem contact op →